Hoe gebeurt de aanbesteding wanneer er met BIM gewerkt wordt?

Traditioneel geven de ontwerpers bij de aanbesteding verschillende 2D-plannen en -snedes, vergezeld van meetstaat en bestek, af aan de aannemer. BIM maakt het mogelijk om een vrij tot zeer gedetailleerd 3D-model over te dragen om zo het overzicht te behouden en het bovendien voor de aannemer een stuk makkelijker te maken.

In veel Europese landen is of wordt ‘bimmen’ verplicht bij (bepaalde soorten) openbare aanbestedingen: Groot-Brittannië, Nederland, Denemarken, Finland, Noorwegen,… In de toekomst zal ook bij ons het doorgeven van een BIM-model bij de aanbesteding meer en meer voorkomen. Ontwerpers die reeds met BIM bezig zijn, houden af en toe hun model nog voor zich bij de aanbesteding en geven het pas door bij de toewijzing van de aannemer. Het gebeurt in bepaalde projecten nog steeds dat er een breuk bestaat in dit proces. Zo kan het zijn dat het ontwerp weliswaar als BIM-model werd opgebouwd, maar verder toch doorgegeven wordt als traditionele 2D tekeningen. En het komt ook voor dat nadien, bij de uitvoerder, opnieuw een 3D BIM-model opgemaakt wordt, op basis van de gedeelde 2D tekeningen.

Dit wijst er op dat informatie delen en goede afspraken maken noodzakelijk zijn om BIM op een goede manier te realiseren binnen een project. Het is vaak zo dat hoe sneller en openhartiger er wordt samengewerkt en gedeeld, hoe gemakkelijker het wordt voor iedereen.


Hoeveelhedenstaat uit BIM-model halen

Een van de voordelen van BIM is dat de hoeveelhedenstaat vrij snel en geautomatiseerd uit de software gegenereerd kan worden. Dit maakt het voor bijvoorbeeld een architect of zelfs een bouwheer bijzonder toegankelijk om een kostprijsinschatting te maken. Dat is een groot voordeel, want de offertes van aannemers hangen nu enkel af van hun eigen efficiëntie en manier van werken. De hoeveelheden zijn immers al vooraf bepaald.


Modelleren stopt niet bij LOD300

Een mogelijk probleem bij het gebruiken van BIM is de overgang van de ontwerpfase naar de uitvoeringsfase. Ontwerpers leveren hun aanbestedingsdossier af als een LOD300 model, terwijl de uitvoering een detailniveau van LOD400 vergt. Maar van het IFC-bestand - of eenieder ander formaat - dat de ontwerpers aan de aannemer afleveren, wordt verwacht dat het niet meer zal terugkomen naar de ontwerpers. Ze sturen dus iets door waar ze zelf niet meer aan gaan werken - althans dat is soms de perceptie die ze hebben. Dit kan aanleiding geven tot frustraties bij de aannemer, omdat die bij momenten nog veel fouten of onvolledigheden in het aanbestedingsmodel vindt en veel extra werk heeft voor hij zelf kan beginnen modelleren en verfijnen.

Architecten en ingenieurs moeten er zich van bewust zijn dat het modelleren niet stopt bij LOD300; integendeel: vanaf dan begint men net de details erin te steken. Dat is natuurlijk ook net de moeilijkheid voor ontwerpers: zij hebben niet noodzakelijk de kennis of de bevoegdheid om over de precieze uitvoering te beslissen. Daardoor is een "ontwerpintentie-model" vaak onvoldoende gepreciseerd voor de uitvoering.

Het vertalen van dergelijk ontwerpintentie-model naar een uitvoeringsmodel is daarom vaak nog een grote extra inspanning voor de uitvoerende partij. Dit is dan ook een argument om waar mogelijk de uitvoerder vroeg genoeg bij het proces te betrekken, zodat er een betere afstemming kan gebeuren met de ontwerper.

Een heel praktisch probleem momenteel is bijgevolg dat architect-ontwerpers hun BIM-model niet opbouwen met de structuur en opbouw zoals de uitvoerder dit wenst.  Maar via de op gang getrokken BIM-standaardisatie evolueert men met een voortschrijdend inzicht naar oplossingen hiervoor; alle partijen beginnen er het nut van in te zien.

  Terug naar FAQ

Partners